Doar Proat Lub

Een dag doorgebracht zonder het zien of horen van schoonheid, zonder het overdenken van een mysterie of het zoeken naar waarheid, is een verloren dag.

-Lewis Mumford-

Nescio
“God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven, en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindeloze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht naar de zee. En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie 't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.
En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.
Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.”
Nescio, Titaantjes

“O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen, wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. ‘s Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit kwamen, en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden, die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen waarvan wij ‘t nut niet begrepen, dachten wij er aan, hoe Zondagavond de zon was ondergegaan achter Abcoû.”
Nescio, Titaantjes


Musset, On badine pas avec l’amour:
 ‘Alle mannen zijn leugenaars, trouweloze kletsmajoors, huichelaars, trotse lafaards en verachtelijke geilaards; alle vrouwen zijn vals, geslepen, ijdel, nieuwsgierig en verdorven; de wereld is niet meer dan een bodemloze goot, waar vormeloze zeehonden rondkruipen en kronkelen over bergen slijk; maar er is één ding ter wereld dat heilig is en subliem, dat is de vereniging van twee van die onvolmaakte en weerzinwekkende wezens. Je wordt vaak bedrogen in de liefde, vaak gekwetst en ongelukkig gemaakt, maar toch heb je lief en als je op de rand van het graf staat, draai je je om, kijkt terug en zegt tegen jezelf: “Ik heb vaak geleden, soms heb ik me vergist, maar toch heb ik liefgehad. Ik heb geleefd, zelf geleefd, en me niet laten leven door mijn trots en mijn verveling.”’


Negen benodigdheden voor een goed leven

-Johann Wolfgang van Goethe-

Gezondheid genoeg om plezierig te kunnen werken

Geld genoeg om in je behoeften te kunnen voorzien

Kracht genoeg om moeilijkheden te overkomen

Klasse genoeg om je fouten en zonden toe te geven

Liefdadigheid genoeg om het goede in je buren te zien

Geduld genoeg om door te werken tot iets goeds is bereikt

Liefde genoeg om anderen behulpzaam te zijn

Geloof genoeg om het goddelijke in de praktijk te brengen

   Hoop genoeg om je angsten voor de toekomst te vergeten


Wilsbeschikkingen (Pablo Neruda)

Kameraden, begraaf me op Isla Negra,
tegenover de zee die ik ken, tegenover de oneffen
plekken
van stenen en golven die mijn verloren ogen
nooit meer zullen zien.
Elke dag aan de oceaan
bracht me nevel of zuivere afgronden van turkoois,
of eenvoudige weidse ruimte, rechtlijnig,
onveranderlijk water,
dat wat ik vroeg, de ruimte die aan mijn voorhoofd
knaagde.

De rouw van de aalscholver die voorbijvliegt, de vlucht
van grote grijze vogels die van de winter hielden,
en elke donkere kring van sargassowier
en elke zware golf die haar kou van zich afschudt,
en bovenal de aarde en haar verborgen, geheime
herabrium, kind van nevels en zouten, aangetast
door de zure wind, zeer kleine kronen
van de kust geplukt aan het grenzeloze strand:
alle vochtige sleutels van de zee-aarde
kennen elke fase van mijn vreugde,
                   
ze weten
dat ik daar wil slapen tussen de oogleden
van de zee en de aarde…
                   
Ik wil meegesleurd worden,
omlaag met de regens die de wilde
zeewind bestrijdt en verpulvert,
en later, door onderaardse beddingen gedragen,
mijn reis naar de lente, in diepte herboren, vervolgen-.

Delf naast mijn graf de put voor mijn beminde, en laat
toe dat ze mij ooit nog eens in de aarde vergezelt.